Puur 08/31/2010
Mijn vorige stukje kwam blijkbaar enigszins desperaat over, want ik kreeg allemaal goedbedoelde tips en adviezen. Over waar ik zou kunnen trainen en hoe leuk het daar is, en over een boekje dat het dagelijks leven als zenleraar propageert. Ik wil iedereen hartelijk danken voor het medeleven. En voeg daar graag aan toe dat het me goed gaat. Wat die tips in ieder geval opleverden was een hernieuwde nieuwsgierigheid naar het Nederlandse zenwereldje. Wat gebeurt daar eigenlijk tegenwoordig, en hoe gaat het met iedereen? Een kleine Google search levert toch weer een avondje ouderwets lekkere ergernis op. De exotische namen en dito jurken vliegen je nog steeds om de oren. Had ik niet al eens gezegd dat dat zelfs in Japan een anachronisme is? En hier behalve dat een anaculturisme, als die term al zou bestaan? Nou dan. Fuk de jurk, n... de naam (en laat dit asjeblieft niet aan mijn zoons lezen). Gewoon jezelf zijn is genoeg. Wat verder opvalt is de hoge profileringsdrang van veel boeddhisten en groepjes. We doen heel gewichtig, want het is toch zeker niet zomaar wat, dat zen. Sommigen schermen met zendo’s, rakusu’s, kolomo’s, oriyoki, tokubetsu-sesshins, shinsan-shiki ceremonies en kokusai fukyoshi. Fijn. Als je niks anders te doen hebt tenminste. En alsof we iets bijzonders te melden of te bieden hebben. Ik verklap je een geheim: hebben we niet. Waarom doen we dan zo speciaal? Moet er persé een diepgaande, diepgravende en nog niet zomaar één-twee-drie begrijpbare diepte in zitten? In vorm of inhoud, ieder heeft zijn eigen manier om er een ding van te maken. Een soort zen-roes maakt zich meester van leerling en meester, een zen-saus overspoelt de simpele werkelijkheid en smoort hem in de kiem. Of in allesdoordringende wijsheid en compassie. Zen is niet gewoon simpel, zen is héél speciaal simpel. Komt dat zien, komt dat halen. Ik verklap je nog een geheim: er valt niks te halen, alles wat je betovert is façade. Tenslotte nog een stukje tekst dat ik de echte genieter van ergernis niet wil onthouden. Er is natuurlijk veel meer, maar ik wil je niet bij voorbaat alle plezier van een eigen zoektocht ontnemen. Komtie: ‘“Mysterie”, trefwoord op mijn lippen, sjibboleth voor de mystieke weg, zal mijn wijze van begroeten zijn.’ Kom op. Doe normaal. Zal me een toestand geven als je zo iemand op straat tegenkomt. En over beoefening: ‘Daartoe ga ik regelmatig naar de zendo, een lege ruimte met slechts een boeddhabeeld en zwarte meditatiekussens langs de witte muren. Hier kan de wereld ongehinderd binnentreden en zonder vervorming worden beschouwd. Hier heerst de stilte opdat geluid naar waarheid klinken kan. Zazen, gemeenschappelijk beoefend, is verstilde liturgie, zonder woorden, zonder gezang, geen verkondiging, maar een homilie van onbeweeglijk zittende lichamen, onbesproken en onbespreekbaar gedrag, viering van een inspanning, een toegewijd in- en uitademen, leven en dood proevend, het denken onbedacht doordacht.’ Best een lange zin, die laatste. Ik bedoel, Hesse doet dat beter, maar die is dan ook Duitser. Maar waarom zo hoog draven en vaag praten? Mooie poëzie is het niet, dus dat zal het doel wel niet zijn. En waarom is die zendo ineens zo cruciaal? Als je de wereld alleen dáár zonder vervorming kunt beschouwen heb je toch een probleem, als zenleraar. Als ik op de wc zit heb ik ook vaak heel verlichtende momenten, waarin mijn adem één wordt met de geur van versgemaaid gras, of een andere niet te vermijden geur waarover ik hier niet verder zal uitweiden. Hee, ik word weer recalcitrant. Zou het komen omdat de operatie alweer bijna een jaar geleden is, of omdat ik weer een groepje mag doen bij ZEN onder de Dom? Of ben ik nou eenmaal zo? Ik zeg je dit: de man met het oog zie je niet. Hij draagt een spijkerbroek, beseft zijn onvermogen en leeft met de seizoenen. 1 Comment Gehakt 08/16/2010
Waar gehakt wordt vallen spaanders. Waar knopen worden doorgehakt kan zomaar de bodem wegvallen. Kort geleden mailde ik een dierbare vriend en leraar. We trokken twintig jaar intensief met elkaar op. De eerste 18 met twee handen op één buik, de laatste twee met veel misverstanden en onbegrip. We groeiden uit elkaar. Ik begreep hem niet meer, snapte niet meer waar hij vandaan kwam, wat hij wilde, waarom hij zei wat hij zei en deed wat hij deed. Ongetwijfeld ben ik veranderd. Ongetwijfeld hij ook. Maar dat doet er niet toe, wie wat en hoeveel. Feit is dat er keer op keer misverstanden waren en frustraties. Toch was het niet hopeloos, dacht ik. Een zo sterke band knapt zomaar niet. Ik schreef me in voor een retraite die hij leidt. Er ontstond een goede mailwisseling en er leek een nieuwe opening. Hij vroeg me een intro te houden tijdens de retraite. We wisselden uit. Toen werd de intro door iemand anders afgeblazen. En de dierbare vriend en leraar dook. ‘Zoeken jullie het maar met elkaar uit’, schreef hij. Ik heb nog even stuipgetrokken en geworsteld. En uiteindelijk besloten niet verder te trainen met hem. Op mijn weg ben ik nu niet op zoek naar een leraar die me feilloos kan begeleiden op mijn zenweg of in mijn koantraining. Die me de diepte van geconcentreerd zazen injaagt en meester is in de reis naar het middelpunt der aarde. Want dat is hij. Ik ken niemand ter wereld die dat zo kan als hij. Maar ik zoek dat nu niet. Wat voor zen laat je zien, wat voor realisatie toon je, als je feilloos de diepte in kunt, maar vervolgens niet bij machte bent om datgene wat je daar vindt, handen en voeten te geven in de werkelijkheid van alledag, tot bloei te laten komen in de interactie met je medemens. En precies dáár zoek ik inspiratie. Dat is de stap die me aanschreeuwt. Dat heb ik gemaild. Dat het me teveel energie kost, keer op keer. Dat ik het niet meer begrijp. Dat ik vast fouten maak, maar dat ik in het delicate proces van onze nieuwe toenadering heel erg teleurgesteld was toen hij zijn uitnodiging zo gemakkelijk liet vallen. Ik heb geen antwoord meer gekregen. Nu ben ik dus leraarloos. Dat is een hele nieuwe ervaring, na twintig jaar volledige overtuiging. Ik ben alleen. Het perspectief van samen met iemand optrekken, samen met een goede vriend, meer ervaren op de weg, is niet meer voorhanden. Samen optrekken totdat het zover is dat ik zelf misschien ooit mensen zou kunnen begeleiden, heel voorzichtig – dat was mijn droom, mijn ideaal. Het is verdriet om dat te verliezen. Er is een leegte. Alles wat ik zeg en doe is niet langer vanzelfsprekend ingebed in een traditie, in een lijn. Je kunt er natuurlijk van alles op aanmerken dat ik er zo naar kijk, maar ik zeg het maar zoals het voelt. Ik mis ook de vanzelfsprekendheid van het elkaar vinden in onze ideeën over zen en zentraining, zoals we dat hadden. Het lijkt alsof een huwelijk van jaren, waarin de twee partners volledig op elkaar afgestemd en ingespeeld waren, in de afgelopen twee jaar langzaam maar onherroepelijk tot een eind is gekomen. Natuurlijk twijfel ik, in mijn eenzaamheid nu. Had ik niet minder kritisch moeten zijn? Heb ik niet alles op het spel gezet en vergooid? Maar als ik even rustig overweeg zie ik dat dat niet zo is. Ik heb twee jaar onderzocht. Zuiver gekeken, niet overhaast gehandeld. Nu is het echt voorbij, ik kon niet meer geloven in goede bedoelingen, het vertrouwen was op. Ik kon niet meer snappen wat er zich allemaal onder de oppervlakte afspeelde. Nu ben ik dus alleen. Niks wat ik zeg heeft nog enige waarde binnen de traditie. Ik verlang ernaar om iemand te vinden waarmee ik de reis kan vervolgen, iemand die niet alleen is gekomen tot de realisatie van niet-zelf, maar die die realisatie ook tot bloei laat komen in zijn verhouden met alle dingen. Een menselijk mens. Daarvoor is het misschien te vroeg. Maar het verlangen is er wel. Ik begin pas aan de reis. Alleen verder gaan is geen optie. Geduld is alles wat ik nu kan oefenen. Bieke Vandekerckhove citeert Rilke in haar onlangs verschenen boek De smaak van de stilte: ‘Vol deemoed en geduld het geboorteuur af te wachten van een nieuwe klaarheid’. En : ‘Rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig in de voorjaarsstormen staat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen. De zomer komt toch.’ Wachten in het donker, soms in eenzaamheid, rustig en alert. De zonsopgang komt op zijn eigen moment. Vuur 08/08/2010
Ik lees in het boek ‘Als de Boeddha zou daten’ van Charlotte Kasl. Ik beken het maar. Daarmee trotseer ik het risico dat dit het eerste is dat een potentiële volgende werkgever (ik ben op zoek naar een goeie baan) over me leest als hij me googled. Liefde is mijn achilleshiel, hoewel ik nu toch meen een belangrijke barrière te hebben doorbroken. Er staan behartenswaardige dingen in het boek. Dingen ook waar niemand veel bezwaar tegen kan maken, zoals ‘Wanneer we ons van onze eisen bewust worden en er minder op staan dat dingen zo zijn als we graag willen dat ze zijn, voelen we ons steeds vrediger en steeds meer in contact met ons mededogen en onze tederheid.’ Ongetwijfeld. Maar de hamvraag is natuurlijk hoe. Dit citaat is wat mij betreft veel te conceptueel. En zo zijn er veel meer. Ook bijvoorbeeld over de aard van het boeddhisme en wat dies meer zij. Als ik iets lees wat waarachtig is voel ik vuur. Dat is zeldzaam bij dit boek. Maar misschien komt het nog. Ik leer vooral uit concreet handelen, ervaren, feedback krijgen en een eventueel daaruit voortvloeiend persoonlijk en onoverdraagbaar inzicht. Een soort heldere ontdekking die vanaf dat moment een onderdeel gaat uitmaken van wie ik ben. In het kader van het ontstaan en de onmetelijkheid van het heelal ongetwijfeld volkomen irrelevant, maar ik voel me wel weer wat vrijer en oprechter en dat is ook wat waard. Ook voor de mensen die het met mij moeten uithouden. Terug naar Kasl. Waarom worden dit soort boeken geschreven? Het is niet moeilijk om tot de ontdekking te komen dat woorden, zinnen, taal, papier en boeken in veel gevallen volkomen inadequate middelen zijn om inzicht over te dragen, om te komen tot fundamentele ontdekkingen over jezelf en de manier waarop je met de werkelijkheid omgaat. Het blijft steken in ‘doe dit, dan gebeurt dat’. Het hoe ontbreekt. Dat is namelijk uitermate subtiel, situationeel en individueel. Je kunt dingen maar op één moment effectief integreren, namelijk als je er aan toe bent. Een intens verlangen om uit je eigen gevangenschap te breken, een innerlijke gedrevenheid en dan het goede woord op het goede moment. Leven in plaats van lezen. Die innerlijke gedrevenheid speelt ook een belangrijke rol in zen. Daarom werkt het niet om te bedenken dat iedereen al Boeddha is vanaf het begin der tijden (zie vorige blogpost). Als je niet totaal gedreven bent om je eigen ware natuur te realiseren kun je het wel vergeten. Als je zit in de overtuiging dat je daarmee je boeddhanatuur tot uitdrukking brengt zit je niet echt. Vuur en intens verlangen, dat zijn de echte grondstoffen van zenbeoefening. Hakuin waarschuwt al op onnavolgbare wijze tegen allerlei leraren die de fine fleur van de zennatie hun gedrevenheid ontnemen door te zeggen dat alles inherent perfect is precies zoals het is. De kracht van het nu is juist het allesverzengende vuur van verlangen, verlangen tot bevrijding. Zoals beloofd. Na mijn vrolijke vakantieblogpost nu de rauwe regenrealiteit. Het dilemma. Niet duivels ditmaal, dat zou een overmaat aan alliteratie opleveren. Alles met mate. In Trouw van 7 juli jl. staat een kort artikel dat ik opgestuurd kreeg. De titel van de frisse rubriek ‘vijf vragen’ is die dag: ‘Iedereen een boeddha dus zen is hip’. Alleen al daarover zou je een boek vol kunnen schrijven. Ga ik niet doen, maar wel even aanstippen: de titel bedoelt dat iedereen een boeddhabeeld in de tuin of in huis heeft, en dat daaruit dus blijkt dat zen (of, in bredere zin, boeddhisme) hip is. Maar als zennie lees je al snel: iedereen IS een boeddha (en dus is zen hip). Iedereen is al boeddha vanaf het begin der tijden, dus er is weinig hips aan, maar het is wel een troostrijke gedachte. En een hond? Ander keertje… In de eerste zin van het artikel stelt de auteur, Anniek van den Brand: ‘Dai osho, zenmeester Rients Ritskes (52), heeft vijf van zijn leerlingen – vier mannen en een vrouw – tot ‘osho’, zenleraar, gewijd.’ Dai osho. Mijn god. Wie verzint dat? Het betekent letterlijk ‘grote (boeddhistische) priester’ en wordt als eretitel gebruikt voor grote zenmeesters, als ze dood zijn. De man is nog niet overleden en heeft bovendien geen positie in de Japanse lijn van het klooster waar hij ooit even trainde. Zenmeesters uit dat klooster en uit die lijn geven aan af te keuren wat hij hier doet. Als hij positie had gehad, hadden ze hem eruit gezet. Dus wie heeft hem die titel verleend? Ik vrees hijzelf. Op de vraag wanneer je zenmeester kunt worden, antwoordt Ritskes: ‘Je wordt meester als je bijna verlicht ofwel gelukkig bent.’ Het woordje bijna geeft waarschijnlijk aan waar Ritskes zelf denkt te staan. Far from it, vrees ik weer, maar goed. Verlichting is een lastig woord, ik zou liever spreken van ontwaken of niet-zelf, dat is toch net iets minder hoogdravend. En dat is op zijn beurt weer iets volkomen anders dan geluk. Vraag twee in het artikel. ‘Wie bepaalt of iemand zen-osho mag worden?’ Het antwoord: ‘Ik!’ Dat is ongetwijfeld het geval, dus waarheidsgetrouw. Interessant is het feit dat iemand die zelf niet is geautoriseerd, anderen autoriseert. Dat deed de Boeddha ook met Mahakasyapa, maar die vergelijking gaat hier helaas niet op, dat is a whole nother league. Nog interessanter is de vraag hoe de beoordeling tot stand komt. Om te worden goedgekeurd moet je zo’n tien jaar in opleiding zijn geweest onder supervisie van Ritskes. Kosten daarvoor zijn 220 euro per maand. Een snelle rekensom leert dat je dus een certificaatje kunt ‘kopen’ voor 25.000 euro (en je moet natuurlijk verder inhoudelijk ook nog wel iets doen), en dat Ritskes aan zijn vijf osho’s ruim een ton overhoudt. Maar goed, daar krijg je natuurlijk wel intensieve begeleiding voor, en voor wat hoort wat. Blijkbaar zijn er mensen zo gretig dat ze het ervoor over hebben. Is dit schadelijk voor zen? Is dit slecht voor het boeddhisme? Is dit van alle tijden? Is dit gedurfd en vernieuwend of schurkachtig? Graag wil ik iets vragen aan de ongetwijfeld kleine maar desondanks volhardende lezersschare van deze blog. De vraag is: moet ik dit soort dingen nog melden? Moet ik hier nog kanttekeningen bij plaatsen, moet ik ertegen in het geweer komen, moet ik er de draak mee steken, helpt het als ik roep dat dit niks met zen van doen heeft? Of is het beter om te zwijgen? In het vertrouwen dat wie vette hamburgers wil eten dat toch wel doet, en wie verse sla wil dat wel regelt? Zijn dit, kortom, zulke kwalijke zaken dat je er niet genoeg tegen kunt waarschuwen, of zulke kwalijke zaken dat je er niet genoeg over kunt zwijgen? Ik houd serieus rekening met jullie input, dus laat het me weten. Mail, bel, schrijf, sms, twitter of wat dan ook. Ik weet het ook niet. Laten we in ieder geval streven naar een zuiver en authentiek zenboeddhisme in Nederland. Geen oplichterij en klatergoud. Mail me! Of post een comment (via de link '0 comments' rechts bovenaan dit stukje :-)). Ik ben benieuwd. | Zendingen
Ik beoefen zen en heb daar zo mijn gedachten over. Niet helemaal old school dus. ArchiefJanuari 2012 |
Create a free website with Weebly